maandag 8 februari 2010

Als een levende ansichtkaart

Zonnestralen breken

door laaghangende wolken 

en werpen hun licht

op besneeuwde hellingen.

Kinderen stuiven joelend

van vrolijke angst

in hun felgekleurde sleetjes

naar beneden 

en komen tot stilstand 

tot bij de hoge dennenbomen.


Twee reeën, 

achterna gezeten door een tekkel,

zoeken een veilig heenkomen

in het bos wat hoger op de berg.

Diep beneden in het dal 

ligt de grote stad

als een warme sjaal

om het nu ijzige meer.

Geluiden van toeterende auto’s en treinen 

dwarrelen omhoog naar mijn raam.


Op de vensterbank

ligt zo’n vijf centimeter verse sneeuw.

Heb zojuist visite gehad 

van een duif die met een schuin kopje 

naar binnen keek en knipoogde,

daarna wat heen en weer stapte 

en er toen vandoor vloog

zonder nog een woord te koeren

of met haar snavel 

op het raam te tikken.


Haar pootafdrukken

hebben in de sneeuw 

een tekening gemaakt van een gezicht,

zo lijkt het wel.

Een lachende man met een baard.

Met een beetje fantasie 

kan ik Sigmund Freud herkennen.

Wat duiven in hun mars hebben…


Toeval of niet:

even later zie ik in de Zwitserse krant 

een foto van dezelfde Simund Freud,

een gezette streng kijkende man.

Hij staart me vanaf de pagina 

met vijf collega’s aan.

Ik probeer zo serieus mogelijk terug te kijken.

Geen idee wat die wijze mannen van me denken.


Dat komt nog wel.

We kunnen immers al 

zwart-wit films in kleuren vertalen.

Je hoeft alleen maar het rood 

van het stoplicht in te voeren

om te weten welke kleur al dat andere heeft.

Zo zal het ook ooit mogelijk worden 

foto’s tot op zekere hoogte

tot leven te laten komen.

Warmte is energie,

energie heeft een kleur.

We weten dus door de grijstinten

waar de mannen op de foto vandaan kwamen

en nadat de foto gemaakt is, naar toe gingen.

Je kunt dan dus een foto vertalen 

tot zeg maar drie minuten bewegend beeld.


Sigmund Freud fronst nu,

krabt aan zijn slaap.

Ik zie hem denken:

welke dwaas kijkt mij zo aan?

dinsdag 2 februari 2010

Goedenavond

 

'Goedenavond,'

zegt de man van het journaal.

Aardbeving,

verbinding met de wereld verbroken.

We zien een shot

een vrouw roept iets tegen de nacht

geen mens zal weten wat.

De natie is geschokt.

 

Het volgende bericht,

een bermbom in Afghanistan,

een Nederlandse soldaat op een fiets

en dan iets

over bankpasjesdieven en junkies

een berichtje over banken

de doofpot is vol,

de kogel is weer eens door de kerk.

 

Ik heb een kaars gebrand

een momentje stil gestaan

in lege duisternis,

zo’n ding van was

dat verlichting brengt

in onze harten.

 

Ben naar huis gegaan

alles gaat toch verder

moeite, twijfels, angsten,

het is een zoektocht

naar warmte en naar tederheid.

De geschiedenis is makkelijk

te voorspellen.

 

Morgen,

gaat het verder

alsof wij zouden weten

wat te vroeg is

of te laat.

We slepen ons voort

met regen

of schuilen voor een wolkbreuk.

 

En een nieuwe speelse wind

die me veel goeds doet hopen

dwarrelt door de tuin

vele dagen, zonnen, manen

diertjes in de regen

klaver, boterbloemen.

 

Bel me,

mail me,

sms me.

 

Ik mis je.

 

Herman van Veen

maandag 18 januari 2010

Steen voor steen

Ze waren met z’n drieën,

twee zwarte mannen

en een Vlaamse theatermaker.

We ontmoetten elkaar

op het zonnige terras van een 'gasthuis'

in Pretoria, Zuid-Afrika.

Ze wilden met Edith Leerkes en mij praten

over een plannetje voor Soweto,

het grootste 'township' van het Afrikaanse continent.

Ze vertegenwoordigden de non-profit Tsele Creative Society,

een theatergroep die zich vooral bezig houdt met het creëren en uitvoeren

van educatieve straattheaterprogramma's

voor en vaak met kinderen.

Voorstellingen in de Afrikaanse traditie

over dagelijkse gebeurtenissen

als verkrachting, aids en roofpartijen.

Ze wilden ook kunnen spelen als de weersomstandigheden beroerd waren,

een plek met een dak,

een plaats met muren,

een theater,

en vroegen ons om financiële steun.

We maakten een afspraak om te kijken

waar zo'n zaal zou kunnen komen.

Zij stelden voor om af te spreken in White City Jabavu,

een wijk in het hart van Soweto.

Daar waar ooit de zwarte opstand begon.

We beloofden elkaar 

dat theater te gaan bouwen en noemden het The Miracle.

Het zal komen in het al bestaande

en goed gerunde beveiligde Ipelegen Community Center.


We zijn nu zo'n drie jaar bezig

om de zaken zo goed mogelijk in de steigers te zetten,

niet eenvoudig.

Het belangrijkste probleem is niet de bouw van het theater.

Het stapelen van stenen is eigenlijk een peulenschil.

Het echte werk is ervoor zorgen dat het Ipelegen Community Center

een behoorlijk bestuur en management krijgt,

dat de plannen voor meer dan 100% in eigendom heeft 

en ondersteunt en kan ondersteunen,

zodat het centrum en het theater behoorlijk gemanaged gaat worden 

en een succes wordt.


Zorgen voor een goed Miracle management

(financiën en administratie, programmering, marketing,

logistiek, onderhoud en veiligheid),

dat betekent het vinden van bekwame en toegewijde mensen 

en het maken van een realistisch bedrijfsplan

en er vooral voor zorgen

dat de rest van het Ipelegen Center ook een facelift krijgt

zodat het verbouwde theater niet een vlag op een modderschuit wordt.

Het kost tijd.

Soms wil ik dat het sneller gaat dan mogelijk. 

‘IJzer met handen breken, zo gaat dat niet,’

schrijft Harmen Oostra, onze man ter plekke.

‘Dit is een ander land met een verleden dat nog steeds heel erg doorwerkt in het heden

en waar dingen nou eenmaal tijd nodig hebben

en een ander tempo dan in georganiseerd Nederland.’


We hopen dat we voor de WK, al dan niet binnen, toch kunnen spelen.

Mafika, een van de mannen van het eerste uur, zal er dan niet bij zijn.

Hij stierf onlangs nog voor de kracht van zijn leven aan wie zal het zeggen.

Hij zal er in onze harten bij zijn. 

Als, wanneer dan ook, The Miracle geen droom meer is.

maandag 11 januari 2010

Vrijdag

Mijn jongste dochter maakt een cd,

haar eerste.

Mag erbij zijn.

'Pa, kan ik je oren lenen?'

vroeg ze.

Heb ze vanochtend een extra beurt gegeven

zoals het hoort.

Verschillende wattenstokjes

voor verschillende oren

Zal op de bank zitten in de regiekamer.

Anne zal achter een dikke ruit staan,

haar gezicht voor het grootste deel verborgen

achter een joekel van een microfoon.

Ze zingt dan met het gezicht van haar moeder

dat zo verdomd veel op het mijne lijkt.

Dan hoor ik.

 

Ik volg je met mijn ogen,

van muur tot muur,

en over de diagonaal.

Je past wel in een druppel.

Jee, wat ben je klein.

En toch til jij

van alles mee.

 

Soms is het net zo groot

als jij zelf bent.

Het sleept achter je aan

en lijkt op een vermoeide zus

maar het is hagelslag.

Heb je soms een touwtje?

O mijn God, hoe doe je dat?

 

Ze bezingt een mier.

Begeleid op de piano

door een bijna man,

een jongen nog.

Buiten zal het sneeuwen.

Mussen zoeken eten.

De bomen zullen onder rijp staan.

'Willen jullie koffie vragen

en gelukkig zijn met zo’n dochter?'

 

De telefoon gaat.

'Pa, ik heb buikgriep,

diaree.

Ik kan vandaag niet zingen.'

 

Stel mijn vreugde

tot vrijdag uit.

maandag 4 januari 2010

Knap

De Nederlandse taal, zegt de schrijver,

is naast het Swahili

de enige ter wereld

die voor twee totaal verschillende begrippen

vaak een hetzelfde woord gebuikt.
Het woord ‘schoon’

betekent zowel dat het gewassen

als dat het mooi is.
Als wij in ons kleine koninkrijk zeggen

'een schone vrouw’

dan is dat zowel een mooie

als een goed gewassen persoon.
Het woord heeft een dubbele betekenis.
Zo’n zelfde dubbele,

zelfs meer dan trippele betekenis

heeft het woord ‘knap’.
Als wij spreken van ‘een knap gezicht’

zeggen we dat iemand mooi is maar
als we zeggen ‘hij is knap’

kunnen we ook bedoelen verstandig.
Als we zeggen ‘knap voor mijn part’

dan bedoelen we breek, splijt, ontplof.
Dat is niet vriendelijk bedoeld.
Knap is ook het geluid

dat een brekend voorwerp geeft.
Als ik nu schrijf ‘ik wens u een mooi 2010’

bedoel ik het als schoon

en knap

maar vooral vredig.

maandag 21 december 2009

Morgen

Mijn kleinzoon is verkouden

en heeft een oorontsteking,

nare pijn.

Ligt op de bank

in de wat wij de haardkamer noemen

onder een plaid.

Hij leest Kuifjes, De schat van Scharlaken Rackham.


In het stripboek wordt druk gesproken

over het aanstaande vertrek van de trawler Sirius.

‘Hoewel over het doel van de reis

het diepste stilzwijgen in acht wordt genomen,

zou dit, indien onze inlichtingen juist zijn,

het opsporen van een schat betreffen.

Deze schat behoorde aan zeeschuimer Scharlaken Rackham

en bevindt zich aan boord van De Eenhoorn.

Een schip waarvan verondersteld wordt 

dat het einde van de zeventiende eeuw is gezonken.

De bekende reporter Kuifje en zijn vriend Kapitein Haddock 

zijn erin geslaagd de juiste ligging van het wrak te bepalen.’


Heb dat boek als jongetje zo vaak gelezen 

dat ik de woorden bijna uit mijn hoofd ken.


Het is ontroerend om je kleinzoon te zien bladeren 

in een stripboek dat je ooit zelf van iemand leende 

en per ongeluk expres vergat terug te geven.

Alsof het verleden niet meer van jezelf is.

Zie mij ervaring terug in dat mannetje op de bank. 

Niet alleen het boek maar ook de belevenis lijkt geleend.

Je geeft het nu aan je kleinzoon terug.

Hoor in gedachten mijn moeder weer zeggen:

‘Misschien moeten we nog een druppeltje levertraan in je oor doen.

Zal ik nog wat kolen op het vuur gooien?

Wil je thee of warme chocolademelk? 

Morgen is het over!’


‘Welnee, duizend bommen en granaten!’

‘Eind goed, al goed.’

‘Zonder twijfel’,

zegt Professor Zonnebloem.

maandag 14 december 2009

De engel

Boven, in het topje van de kerstboom, stond een engel.

Hoe zij daar gekomen was, 

dat kon zij zich met de beste wil niet meer herinneren.

Zij had nog een vage heugenis

aan een nauwe, donkere ruimte,

waaruit zij opeens door een kleine hand

in een zee van licht getild was.

Zo moet het zijn als je geboren wordt.

En sinds dat ogenblik was zij altijd gelukkig geweest.

Dit ‘altijd’ had eigenlijk nog maar één avond geduurd,

maar voor een kerstengel is dat een eeuwigheid.

Zij wist toen immers nog niet

dat het kerstfeest maar één enkele avond duurt

en dat die al bijna voorbij was.

Zij stond, met een blikken knipje aan de boom bevestigd,

zachtjes heen en weer te wiegen

en keek door haar gazen vleugels

naar de lichtjes van de kaarsen

die beneden haar brandden.

En opeens, daar doofde een kaars uit.

En nóg een, en nóg een.

Het werd steeds donkerder om haar heen

en op het laatst zag zij niets dan de zwarte nacht.

In het begin dacht zij dat het een grapje was,

maar toen het donker bleef, vroeg zij af:

Had ik beter moeten opletten toen het nog licht was?

Is het nu te laat ...?

Onzin. Ik heb dat licht gezien,

dus is het niet te laat.

Want ik heb immers

de herinnering.


Niet anders dan ik mij 

dit verhaal herinner.

woensdag 2 december 2009

Het is stil

Het heeft gesneeuwd.

Niet veel, maar toch.

De stad waar ik verblijf

ziet er nu onecht uit.

Waarschijnlijk komt dat door de kerstfilms

die je deze dagen op tv ziet

en de wenskaarten die in de bus vallen.

Films en ansichtkaarten

die een perfecte witte wereld

laten zien.

Nu zich de originele situatie voordoet

oogt die werkelijkheid als een plagiaat.


Godfried Bomans,

een Nederlandse schrijver,

verdacht ooit heel Zwitserland van imitatie.

Doodgewoon omdat het te vaak

gefotografeerd, geschilderd en gefilmd was.

Je gelooft het gewoon niet

als je er doorheen reist.

Dit kan niet waar zijn.


Je ziet het ook in playback shows.

Michael Jackson origineler dan het origineel,

doder dan de dood.


Gisteren is in Amsterdam

een oude vriend gestorven.

Een levenskunstenaar zoals je dat dan zegt,

een man die voor mij een lichtend voorbeeld was.

Na alle interviews op de tv en in de krant

met mensen die hem door en door

en beter kenden dan hij zichzelf,

leek aan het einde van de treurige dag

zijn foto plagiaat.

Of, zoals er iemand in mij zegt:


Een stad in de sneeuw,

een plek waar het vol lawaai hoort te zijn

is zomaar doodstil

Een gewaarwording

als met het binnengaan van een schouwburg.

Er is geen echo meer,

het decor is nu het stuk geworden.

Het weigert iets anders terug te geven

dan zichzelf.

maandag 30 november 2009

Er is een kindeke ...

Nu, zo voor de kerst 

er weer gezongen wordt

van vrede op aarde

en in de mensen een welbehagen,

er geknield wordt voor een kindje

in een kribbe,

en voor een vader

met een muts,

een moeder met een hoofddoek,

de mensen elkaar fijne feestdagen en vrolijkheid wensen,

vuren en kaarsen aansteken,

iedereen bij iedereen

op visite gaat

en praat over het werk,

en keuvelt over buren,

opa's, oma's 

en wat er zo gezegd wordt

in de krant en op tv

en iedereen voornemens is

het volgend jaar

in ieder geval 

anders en beter te gaan doen

of dat te hopen of te bidden.

Nu vooral kun je zien,

al was het maar

bij sterretjes

of fonkeling in kerstbal

of tijdens twee minuten stille nacht,

dat wat alleen 

in kinderogen zichtbaar is:


onvoorwaardelijk vertrouwen.

maandag 23 november 2009

Gedachten

Het klimaat, zo zijn wetenschappers het eens,

kan op hol slaan,

bijvoorbeeld als de oceanen te zuur worden,

de warme Golfstroom stopt,

er te weinig ijs is om zonlicht te weerkaatsten 

of als er methaan vrijkomt uit de zeebodem

en permafrost

(dat is grond die meer dan twee opeenvolgende jaren bevroren blijft).

Maar waar eindigt die verandering?

Daar is grote onenigheid over.

Wetenschappers tuimelen over elkaar.

Klimaatmodellen worden steeds minder betrouwbaar

naarmate je verder van de huidige situatie af komt.


Het ultieme doemscenario is de planeet Venus.

Op het niveau van chemische elementen

is Venus een zusje van de Aarde, ongeveer hetzelfde.

Maar door een andere samenstelling van de atmosfeer

is Venus een inferno,  een crematorium, een oven.

Dankzij een aanvankelijk miniem temperatuurverschil met de Aarde

is er veel waterdamp in de atmosfeer terecht gekomen.

Daardoor is de planeet ‘snel’ opgewarmd,

terwijl er waterdamp aan de zwaartekracht ontsnapte

en in de ruimte verdween.

Er zijn knappe koppen die denken dat de Aarde zo kan eindigen,

maar ze zijn in de minderheid.

Ze weten gewoon te weinig om er iets zinnigs over te zeggen.


Terwijl ik dit zo lees denk ik aan die begrafenisstoet in Utrecht.

Ik was een jaar of vijf.

1951, vier zwarte paarden met oogkleppen op

trokken een lage platte wagen

waarop een doodskist lag bedekt met bossen witte bloemen.

Erachter liepen de rouwenden met zwarte jassen en hoeden.

Een huisvrouw kwam naar buiten

en goot een giftig dampend goedje uit een emmer in de goot.

De paarden schrokken, steigerden

en gingen er in vliegend galop vandoor.

De lijkkist kiepte op straat.

Pas op het Janskerkhof wist men de op hol geslagen dieren

tot rust te brengen.

Niemand raakte gewond.

Behalve de dode.

Hij brak een been.


Heb geen idee wat het een nu

met het ander te maken heeft.