Vroeg is het, guur ook.
Daar lopen ze, zomaar in het wild.
Zij gitarist en hij zanger.
Of violist, of ...
‘Ik weet niet of ik nog armen heb,’ zegt ze.
‘Goed?’ vraagt hij me.
‘Goed?’ zonder ‘Alles’ en ‘met jou’ erbij.
‘Ja, hartstikke goed.’
Week 6 in Amsterdam nadert zijn einde.
Nog even een tropendag tussendoor.
Er wordt belangeloos gerepeteerd in Klein Carré.
Een zaaltje bovenin dat majestueuze gebouw.
Net groot genoeg voor een zanger, of violist, of ...
En een pianist, twee gitaristen, een bassist, een violiste
en een stemkunstenares.
En dan nog zij van het conservatorium, negen stuks.
Jong en allemaal besnaard.
De vrouwen smal, met smalle laarzen over nog smallere broeken.
De mannen met broeken op 18:30 uur, wollen mutsen,
enorme gele shawls, vettige en zware monturen
en ook zomaar eentje met een gestreken pantalon.
Maar dat was stiekem een professional.
Over een dag spelen zij tezamen belangeloos voor het aidsfonds.
Nu schilderen ze daarvoor de muziek.
Tussendoor wordt er door de zanger en zijn groep
gespeeld in de grote zaal, perspresentatie.
Daarna repeteren ze door.
Dan wordt er gegeten.
En oh ja, soundcheck en voorstelling.
Men houdt niet op met klappen.
De violist en zijn groep keren steeds terug.
Zelfs in alledaagse kleren.
Hij zet in, zij druppelen weer binnen.
Ontspannen, ervaren, rustig, aards, hemels.
Het toneel lijkt een kantine, zijn bezoekers dragen instrumenten.
En het hart, het hart dat dragen zij;
op precies de juiste plek.
En zonder dat ik het doorheb schrijft mijn linkerhand
de volgende zinnen neer:
‘De maan, de sterren,
de Melkweg, het heelal
nog voor ze je beschenen
was je heel de wereld al.’
Eva Schuurman