donderdag 12 januari 2012

Er waren kinderen

Er waren kinderen

die op korte ski’s

diep voorover gebogen

voorzichtig

van een helling

naar beneden gleden.

 

Er was een oranje zon

die

laag boven heel veel

sparrenbomen stond.

 

Er was sneeuw

die smolt

en wegspoelde

over een grindpad

op zoek

naar een zee.

 

Er was een bruin vogeltje

dat kruimels pikte

van een schoteltje.

 

Er waren gedachten

aan vaders, moeders

en vrienden

die er niet meer zijn.

 

Er waren beelden

die leken op toen.

 

Er waren twee mensen

die zaten

op een bank

uit de wind.

 

Er waren handen

die elkaar zochten.

 

Er was tijd

en

warme chocolademelk.

vrijdag 30 december 2011

Vandaag

Geen blik op een traag stromende Amstel.

Geen klaterend applaus in het wintercircus

Carré.

Geen uitzicht op een besneeuwd plein

met verlichte kerstoom

of landschap met ijzige Bergen,

oneindige zee.

Geen blik op het St. Thomas Hospitaal,

de parlementsgebouwen,

en Londen’s Big Ben.

Vandaag geen mensen in oude kerken

die naar onze liedjes

luisteren.

Kijk uit over onze tuin,

de oude kerk,

van achter mijn schrijftafel.

Raak met het ouder worden

recente beelden

niet zo snel kwijt als toen ik

alweer onderweg was naar wie weet waar.

Staar naar de kale appelbomen,

beelden stromen door mijn hoofd,

gletsjer, watervallen, kuddes IJslandse paarden, gestolde lava,

restaurants, hotels, winkels,

mensen zoals je zegt uit alle windstreken.

Stemmen, klanken,

stilte

voor het eerste liedje.

Bloemen, handen kussen.

Voor het slapen gaan in gedachten

even langs die er niet meer bij zijn.

Dankbaar.

 

Herman van Veen

maandag 19 december 2011

Hoogachtend

Schreef in de laatste vijf jaar elke zondag een column voor op de voorpagina van de zondagskranten van de Schleswig-Holsteinischen Zeitungsverlagsgruppe. Gisteren verscheen mijn laatste verhaaltje omdat de redacties van de kranten elke vijf jaar een andere verteller willen. Hieronder mijn dankjewel, en vooral ook gericht aan Sabine. Zij vertaalde al die stukjes in mooier Duits.

 

Dat was het dan. Schreef voor u sinds 10 december 2006 inclusief dit stukje tweehonderdtweeënveertig verhaaltjes. Verhaaltjes over sandalen, eerste kussen, mensapen, paardenslagers, ansichtkaarten, weggetjes, lekkere hapjes, vaders, moeders, peuters, tover en treinen, puinhopen, vuur maken uit water, het ene in het andere, onderbroeken, regenjassen, het veroveren van harten, over nergens wezen, sparrenbossen, en zachtjes als de regen, over mos en op alle kusten staan. Het was alsof ik schreef aan een oude vriendin die ik lang niet had gezien en misschien wel nooit meer, maar met wie ik op geen enkele manier het contact wilde verliezen. Soms schreef ze terug, briefjes, met ‘dank je’, ‘het ga je goed’, of ‘leuk dat je dat ook zo ziet’, en ‘wonderlijk, dat gevoel had ik juist ook’, of ‘ben het helemaal niet met je eens.’ Mijn plekje in uw krant zal voortaan ingenomen worden door een ander. Een mogelijk nieuwe vriend of vriendin. U moet weten dat het plekje van papier voortaan wordt tot een plekje in mijn hart. Dank u wel. Het ga u goed.

 

Hoogachtend,


Herman van Veen

 

maandag 19 december 2011

Vanaf vandaag.

Vanaf vandaag is Alfred Jodocus Kwak official ook op Facebook te volgen met berichtjes zoals:


'Sprak zojuist mijn neef “John Quack”.

Hij is Greenpace vrijwilliger in Londenland.

Hij had zich verzwommen in een plas olie.

Hij ligt nu in het St. Thomas Hospital om gewassen te worden.

Lastige klus met al die veren en zo.

Met een beetje mazzel kan hij met de kerst

toch nog naar Groot Waterland komen'.




vrijdag 16 december 2011

Op het eerste gezicht

IJsland oogt nu in december als een Alpengebied boven de boomgrens, gelegen in zee. Wit, zwart, grijs, onder pastelkleurige luchten. De dagen zijn kort. Tussen 11 uur ‘s ochtends en 4 uur ‘s middags is het zo licht als op een vroege zomeravond in Nederland. Veel mensen wonen hier niet, iets meer dan 300.000, in een land dat vier keer zo groot is als België.


Hun taal klinkt achterstevoren, met luchtbelletjes. Alsof sneeuwvlokjes keuvelen. De IJslanders die ik sprak gebruiken vaak het woord ‘misschien’ en kijken je aan, alsof ze op elk moment letterlijk kunnen smelten. Reykjavik is de hoofdstad. Lijkt wel wat op Lelystad in de Noordoostpolder. Zojuist gebouwd, op de rand van een wereld in wording. Het is hier vooral vulkanisch. Het land beweegt. Heet water spuit uit de grond. De aarde is warm, heeft onaangekondigde barensweeën. Ze beeft bijna onophoudelijk. IJsland werd dit jaar twintig meter groter.


Om meer van haar geschiedenis te weten te komen, sloot ik achteraan bij een groep dik ingepakte schoolkinderen die in het nationaal museum met de handen op de rug giechelend langs vitrines moesten lopen terwijl een gids hen de ontstaansgeschiedenis van de vishaak uit de vikingdoeken deed.


We rijden na een bezoek aan een warm binnenwatermeer over een weg die in the middle of nowhere zomaar een wonderlijke bocht maakte. Als ik vraag waarom dat is, mompelt de chauffeur: ‘Daar wonen elfen.’ Ik geloof hem. IJsland wordt wat mij betreft, vervolgd.

dinsdag 6 december 2011

Dagje mee, naar Carré

Vroeg is het, guur ook.

Daar lopen ze, zomaar in het wild.

Zij gitarist en hij zanger.

Of violist, of ...

‘Ik weet niet of ik nog armen heb,’ zegt ze.

‘Goed?’ vraagt hij me. 

‘Goed?’ zonder ‘Alles’ en ‘met jou’ erbij.

‘Ja, hartstikke goed.’

Week 6 in Amsterdam nadert zijn einde.

Nog even een tropendag tussendoor.

Er wordt belangeloos gerepeteerd in Klein Carré.

Een zaaltje bovenin dat majestueuze gebouw.

Net groot genoeg voor een zanger, of violist, of ...

En een pianist, twee gitaristen, een bassist, een violiste 

en een stemkunstenares.

En dan nog zij van het conservatorium, negen stuks.

Jong en allemaal besnaard.

De vrouwen smal, met smalle laarzen over nog smallere broeken.

De mannen met broeken op 18:30 uur, wollen mutsen, 

enorme gele shawls, vettige en zware monturen 

en ook zomaar eentje met een gestreken pantalon. 

Maar dat was stiekem een professional.

Over een dag spelen zij tezamen belangeloos voor het aidsfonds.

Nu schilderen ze daarvoor de muziek.

Tussendoor wordt er door de zanger en zijn groep 

gespeeld in de grote zaal, perspresentatie. 

Daarna repeteren ze door. 

Dan wordt er gegeten.

En oh ja, soundcheck en voorstelling. 

Men houdt niet op met klappen. 

De violist en zijn groep keren steeds terug. 

Zelfs in alledaagse kleren.

Hij zet in, zij druppelen weer binnen.

Ontspannen, ervaren, rustig, aards, hemels.

Het toneel lijkt een kantine, zijn bezoekers dragen instrumenten.

En het hart, het hart dat dragen zij; 

op precies de juiste plek.

En zonder dat ik het doorheb schrijft mijn linkerhand 

de volgende zinnen neer:


‘De maan, de sterren,

 de Melkweg, het heelal

 nog voor ze je beschenen

 was je heel de wereld al.’


Eva Schuurman

dinsdag 29 november 2011

Je hoort alleen de geur

Na Wenen, Parijs en Brussel presenteerden we gisteren de cd 'Songs in the distance - in honour of Selma Meerbaum-Eisinger’, in het bijna driehonderd jaar oude huis van de Liberaal Joodse Gemeente Beth Jehoeda aan de Prinsessegracht in Den Haag.


Deze oude Haagse synagoge, de 'snoge', is een architectonisch juweel dat tijdsstormen heeft overleefd. Een Godshuis, ooit gemetseld en getimmerd in opdracht van Portugees joodse immigranten (1725-1726). In de met glas overkoepelde binnenplaats spraken en zongen we Selma's teksten. Voor vrienden, persvertegenwoordigers, hoogwaardigheidsbekleders, studenten, mijn vriend Paul, mijn vrouw en Anny Shamroth, die voor de gelegenheid cake gebakken had. Ook de nog enig levende familie van Selma was voor deze bescheiden gebeurtenis uit Amerika overgevlogen.


Voor het concert mocht ik mijn viool warm spelen in de synagoge zelf, een verbluffende akoestiek. Mijn viool leek er te groeien. Terwijl ik mijn toonladders langs banken en muren liet galmen, dacht ik: zou Baruch de Espinoza hier ook gezeten hebben, 'onze' enige wijsgeer van wereldbetekenis? De man die bijbelboeken als mensenwerk zag? Of was hij juist daarom in deze 'snoge' persona non grata geweest? Wie weet…

In ieder geval: het werd een ontroerende middag. Selma's gedichten, Edith's zang en gitaarspel, Lori's indringende stem, Rena die door merg en been fluisterde, Jasper mijn broer op de viool.

De woorden, de muziek, de joodse omgeving, het zong zichzelf.

maandag 28 november 2011

Zeisend licht

Jongstleden zondag kreeg ik een boekje met gedichten. Op bladzijde 11 stond ‘Op een afstand’.


Toen ik ‘Op een afstand’ las, dat je niet een vrouw met een baby in haar buik was, maar een eiland, dat je een gedichtje was over Vlieland, was ik niet verrast. Want wat is het verschil als je leest?


Misschien

kun je me laten

liggen en naar me kijken

vanuit de zee


op je vlot verlangen

om mij te kunnen bereiken

maar nog is het tij

niet gunstig, vandaar


en je wacht en hoopt

dat de wind wat zal

draaien, de stroom

zich zal keren


want zeker ben je, zo zeker,

zelfs zonder kaart, weet je

van de schat die verborgen

ligt in mij.


‘Op een afstand’ staat in ‘Zeisend licht’, Vlielandse versen, geschreven door Louise. Dat is een pseudoniem van Gerda Posthumus, sinds 1997, zo lees ik op de flaptekst, woonachtig op Vlieland. Haar gedichten vielen regelmatig in de prijzen. Haar werk wordt gekarakteriseerd als een mysterieus en dubbelzinnig taalspel.

maandag 21 november 2011

Goede morgen

De thermometer geeft min vier Celcius aan. De eerste koude dag van het jaar. Daken, bomen en weilanden zijn wit. De dieren stappen verwonderd door een verkleurde wereld.


Haal rillerig de kranten. Op de voorpagina’s chocoladeletters. Over de economie, de instroom van zoveel vluchtelingen, het verlies van het Nederlands elftal tegen dat van Duitsland. Heb die wedstrijd niet gezien. Stond op het toneel in Amsterdam in de voor ons fijnste zaal van de wereld. Het terechte ‘koninklijke’ Theater Carré. Vanavond weer voor avond veertien.

Rijd onder een stalende zon naar onze hoofdstad. Wat wit was wordt nu snel groen. In Amsterdam moet ik in het voormalige stadhuis, nu omgebouwd tot hotel, iets zeggen bij het huwelijk van twee bijzonder trouwe bezoekers van onze voorstelling. Vertel hen iets over het huwelijk. Meer speciaal over het ‘sprookjes’-huwelijk. Als je ooit een oma in plaats van een wolf in je ledikant vindt, een oma die zegt dat ze nog steeds veel van je houdt, dan weet je dat je ‘lang en gelukkig’ samen was.


Na het huwelijk op naar Carré. Ben zo vroeg dat ik nog een uurtje voor de voorstelling kan slapen. Droom wonderlijk. Van mijn neef Tonnie die we jongstleden zaterdag begraven hebben. En van onze spulletjeverkoop. Ons bedrijfje Harlekijn gaat verhuizen. Daarom hielden we een uitverkoop van van alles, om die verhuizing wat lichter te maken. Probeer in deze droom aan een mevrouw uit te leggen dat ik zelf niet te koop ben. Ook niet een been of een hand. Maak en passant vier doelpunten tegen Duitsland. Trouw nóg een keer met mijn vrouw. Ben boos op een man van de bank die mij geen hypotheek wil geven omdat hij tijdens zijn vakantie in Griekenland zijn portemonnee verloren heeft. Word wakker omdat iemand op de deur bonkt. Sinterklaas? De Kerstman? De trainer van het Nederlands elftal? Een ambtenaar van de burgerlijke stand? Roodkapje? Mijn neef Tonnie vanuit zijn kist? Iemand die mijn viool wil kopen? Ik spring op, doe de deur open. Kijk in het verbaasde gezicht van de portier van Theater Carré. Hij zegt dat er in de hal een vrouw en een man met een ezel staan die als ik wakker ben graag even met me willen praten.

maandag 14 november 2011

Restanten

In Nederland is de afgelopen drie jaar het ene na het andere postkantoor gesloten en moesten tweeduizend medewerkers op zoek naar een andere baan. Voor postzaken kunnen mensen nu terecht bij 2600 balies van PostNL in Primera en Bruna boekenwinkels.


‘Breng verlies van het spaarbankboekje direct ter kennis van het kantoor waar uw handtekening berust en van de directeur van de Rijkspostspaarbank’, lees ik achter op het oude spaarbankboekje, serie 93-71983 van mijn vader. Bedrag van het tegoed: 10 gulden en 99 cent.


Als een nors paleis domineert het art deco gebouw uit 1924, in opdracht van de Rijksgebouwendienst ontworpen door Amsterdamse schoolarchitect Jo Crouwel, het plein in de Utrechtse binnenstad. De zwarte ornamenten in de hal zijn gehakt uit fameus Belgisch hardsteen. Vijf prominente gebeeldhouwde figuren verbeelden de vijf continenten. De twee lichtgrijze stenen leeuwen bovenaan de trappen voor de deur zijn geschonken door de Utrechters, want tegen de tijd dat het megalomane gebouw klaar was, was het geld van het Rijk schoon op.


Zie me nog aan de hand van mijn vader die statige trap oplopen om in het reusachtige postkantoor tien zilveren guldens te gaan storten op zijn spaarbankboekje. Voor kinderogen was de hal van het postkantoor die van een mysterieus paleis. Ontelbare loketten waar grote mensen geld haalden of brachten, hun ansichtkaarten, brieven, pakketjes. In het postkantoor liet mijn vader zich informeren over hoe de telkens weer nieuwe belastingpapieren in te vullen. Je kon er voor van alles terecht, als je vragen had bijvoorbeeld over het wonder telefoon.


Las in de krant dat ons postkantoor op de Neude in Utrecht gesloten zal worden. Het vertrouwde gebouw krijgt een andere bestemming. Horeca en winkels. Ik vind dat droevig. Nooit meer zal er nu nog een vrouwtje wachten op een pakje uit Indonesië. Nooit meer iemand een handje dubbeltjes storten op een spaarbankboekje. Geen jongetje meer eerste dag afgestempelde sportpostzegels  kopen voor zijn postzegelverzameling. Niemand meer een telegram verzenden naar New York: ‘Mis je. Kom naar huis met de kerst.’ Geen vader meer vragen hoe hij die kleine lettertjes op dat verdomde aanslagbiljet moet interpreteren. Geen postzakken meer op bakfietsen, geen dingdong in de hal: ‘Telefoon voor Jan Frederik Albertus van Veen in cel 52.’ Niemand zal meer naar die prachtige hal gaan om te schuilen voor de regen, of om een praatje te maken, af te spreken onder de grote klok. Geen Ans, geen Jans of Joke zal meer wachten op een teken van leven uit den vreemde waar hun lief uit vechten ging.


Met het sluiten van het oude postkantoor in Utrecht verdwijnt een dierbare afzender. Ons postkantoor was levende geschiedenis. Levende geschiedenis dat rechtvaardigt voortbestaan.