Zonnestralen breken
door laaghangende wolken
en werpen hun licht
op besneeuwde hellingen.
Kinderen stuiven joelend
van vrolijke angst
in hun felgekleurde sleetjes
naar beneden
en komen tot stilstand
tot bij de hoge dennenbomen.
Twee reeën,
achterna gezeten door een tekkel,
zoeken een veilig heenkomen
in het bos wat hoger op de berg.
Diep beneden in het dal
ligt de grote stad
als een warme sjaal
om het nu ijzige meer.
Geluiden van toeterende auto’s en treinen
dwarrelen omhoog naar mijn raam.
Op de vensterbank
ligt zo’n vijf centimeter verse sneeuw.
Heb zojuist visite gehad
van een duif die met een schuin kopje
naar binnen keek en knipoogde,
daarna wat heen en weer stapte
en er toen vandoor vloog
zonder nog een woord te koeren
of met haar snavel
op het raam te tikken.
Haar pootafdrukken
hebben in de sneeuw
een tekening gemaakt van een gezicht,
zo lijkt het wel.
Een lachende man met een baard.
Met een beetje fantasie
kan ik Sigmund Freud herkennen.
Wat duiven in hun mars hebben…
Toeval of niet:
even later zie ik in de Zwitserse krant
een foto van dezelfde Sigmund Freud,
een gezette streng kijkende man.
Hij staart me vanaf de pagina
met vijf collega’s aan.
Ik probeer zo serieus mogelijk terug te kijken.
Geen idee wat die wijze mannen van me denken.
Dat komt nog wel.
We kunnen immers al
zwart-wit films in kleuren vertalen.
Je hoeft alleen maar het rood
van het stoplicht in te voeren
om te weten welke kleur al dat andere heeft.
Zo zal het ook ooit mogelijk worden
foto’s tot op zekere hoogte
tot leven te laten komen.
Warmte is energie,
energie heeft een kleur.
We weten dus door de grijstinten
waar de mannen op de foto vandaan kwamen
en nadat de foto gemaakt is, naar toe gingen.
Je kunt dan dus een foto vertalen
tot zeg maar drie minuten bewegend beeld.
Sigmund Freud fronst nu,
krabt aan zijn slaap.
Ik zie hem denken:
welke dwaas kijkt mij zo aan?