HERMANNUS (HERMAN) VAN VEEN, (Utrecht, 14 maart 1945) is een Nederlands artiest. Hij speelt viool, zingt, schrijft, componeert, regisseert, acteert, schildert en is activist voor de Rechten van het Kind.

Herman van Veen groeide op als enige jongen in een arbeidersgezin. Hij studeerde, viool, zang en muziekpedagogie aan het Utrechts Conservatorium.

In 1965 maakt hij zijn theaterdebuut met het muzikaal clowneske soloprogramma Harlekijn. Sindsdien reist hij de wereld rond en speelt zijn voorstellingen in vier talen.
Na een verzoek van Unicef Nederland en het Haagse Residentie Orkest schreef Van Veen in 1976 een theatervoorstelling over de moedige eend Alfred Jodocus Kwak. Van deze voorstelling werd in 1979 een prentenboek uitgebracht, in 1987 werd Alfred J. Kwak een stripfiguur, waarvan in Japan in 1989 een tot cult geworden 52-delige animatieserie werd gemaakt die wereldwijd te zien was.

Van zijn hand verschenen tot op heden 175 cd's, 21 dvd's, een zeventigtal boeken, tientallen scenario's voor onder meer de speelfilms Uit elkaar en Nachtvlinder en voor de muziektheatervoorstellingen Jukebox, de Kamerrevue, Lune, The First Lady (samen met Lori Spee), Chanson de Daniël, Mata Hari, Windekind en Een Dag in September. Momenteel werkt hij aan Juliette.

Hij was jarenlang vrijwilliger, bestuurslid en welwillendheids-ambassadeur voor Unicef Nederland. Tevens stichtte hij verschillende organisaties waaronder de Stichting Colombine, de Stichting Alfred Jodocus Kwak, de Stichting Roos en de Herman van Veen Foundation. Al deze organisaties zetten zich in en vragen aandacht voor de rechten van het Kind door middel van kennisoverdracht en bescheiden projecten in ontwikkelingslanden en Europa.

Van Veen is drager van de Louis Davidsring die hij in 1976 uit handen van Wim Kan mocht ontvangen. In 1993 werd hij door de koningin benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In 1999 kreeg hij uit naam van de Duitse Bondskanselier het Verdienstkreuz am Bande des Verdienstordens der Bundesrepublik Deutschland vanwege zijn bijzondere bijdrage aan de Duits-Nederlandse verhoudingen. In 2008 is Herman koninklijk gepromoveerd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De Vrije Universiteit Brussel verleende Herman eind 2009 een Eredoctoraat als uiting van waardering voor zijn geëngageerde internationale culturele uitstraling en maatschappelijk engagement.

In de loop der jaren is Herman van Veen vele malen onderscheiden, onder meer met de Goldene Kamera (Alfred Jodocus Kwak), een Silberne Bär (filmfestival van Berlijn), acht Edisons, de Radio 2 Zendtijdprijs 2002, de Prix d'Humanité, Le Grand Prix de l'Académie Charles Cros de Littérature Musicale 2003 voor de theatervoorstelling en cd Chapeau, le Prix de l'Organisation Internationale de la Francophonie 2003 voor de cd Chapeau en met diverse prijzen op The International TV- en Filmfestivals in New York. Op 14 maart 2010 ontving Van Veen de Edison Oeuvreprijs Kleinkunst voor zijn enorme oeuvre, vioolspel en buitengewone verdiensten voor de Nederlandse muziek.

In 2004 werd hem de World Peace Flame overhandigd, een symbool voor vrede, vrijheid, eenheid en waarheid, geïnspireerd op de eeuwige vlam die in het huis van Mahatma Gandhi brandt. De Club van Budapest reikte in 2005 aan Van Veen de Planetary Consciousness Award uit, een onderscheiding die ook Michael Gorbatsjov en Nelson Mandela ten deel viel. In dat jaar ontving hij uit handen van Sabine Christiansen in de Rolduc Abdij te Kerkrade tevens de Martin-Buber-Plakette 2005 voor de manier waarop hij met respect en liefde betrokken is bij de medemens. Deze in 2002 ingerichte onderscheiding ging voor het eerst naar de oud Bondskanselier Helmut Schmidt en in 2007 naar mensenrechtenactiviste en topmodel Waris Dirie. Herman van Veen is sinds 2005 ambassadeur voor de stichting Music in the Middle East.

Na de dood van zijn ouders is Herman van Veen gaan schilderen. Hij maakt voornamelijk monochroom abstract werk, dat inmiddels in een aantal Europese gallery’s en musea te zien is. In februari 2008 werd er een Nederlandse postzegel van hem uitgebracht, een mijlpaal die – naar eigen zeggen – de helft van zijn leven markeert.


Nog vragen
Gesprekje met Herman van Veen

V: Wat kunnen we in Carré verwachten?
A: Hopelijk een onvergetelijke avond. Gepresenteerd door 5 hardwerkende artiesten en evenveel theatertechnici, die er alles aan zullen doen de mensen zonder scrupules te vermaken, de tijd doen vergeten, met zaken die ons aan het hart gaan.

 

V: Uw onderwerpen?
A: Probeer het persoonlijke met het politieke te vervlechten. Met de uitdrukkelijke opdracht te entertainen. De mensen een wereldavond te zingen. De kracht van onze kunst is een indirecte kracht. Dat heb ik te respecteren. Ben buiten mijn vak activist. Op het toneel is dat per definitie saai.
Je kunt kunst mijns inziens niet aanwenden om de wereld te verbeteren. Als je zonodig moet vertellen dat de mensen aardig dienen te zijn voor zielige kinderen, dan wordt het een vervelende aangelegenheid.

 

V: Activist?
A: Ja, zet me al meer dan 40 jaar in voor de rechten van het kind, die wereldwijd met voeten worden getreden. Draag daar waar ik kan, de kinderrechten uit en initieer mondiaal met anderen kleinschalige voorbeeldprojecten, om die rechten handen en voeten te geven. Als we niets doen, worden plusminus 1 miljard kinderen geen twaalf jaar oud.

 

V: Dit voorjaar verschenen er van uw hand twee boeken. ‘Goeie genade’ en ‘Medemens’.
A: ‘Goeie genade’ gaat in wezen over mijn grootvader voor wie de bijbel heilig was. Dat eigenaardige boek dat hij ons voorhield als de onfeilbare bron van ons zedelijk gedrag en leefregels. Voor mij zijn religieuze teksten mytisch. Net als gedichten moet je ze niet letterlijk nemen. Zie religie vooral als een waarheid die dieper gaat, dan mijn directe waarneming. ‘Medemens’ is een boek dat ik schreef over mijn veertig jarige ervaring in het ontwikkelingswerk. Het zingen brengt mij op vele plekken in de wereld. Steden, dorpen en gehuchten. We spelen in grote en kleine theaters. Op pleinen, practicables en planken in krottenwijken. Zodoende ontmoet ik alle mogelijke mensen. Een aantal van hen worden in dit boek beschreven.

 

V: Veertig jaar in het vak. Nooit zat?
A: Zeker wel. Denk zo af en toe voor een voorstelling: ‘zou iemand het van me kunnen overnemen?’ Heeft meestal te maken met de beroerde omstandigheden waarin je soms moet werken. Gore kleedkamers, onverschillig theaterpersoneel, stinkende toiletten, vermoeidheid.
Maar loop ik dan in het witte licht het toneel op, zie ik al die nieuwsgierige mensen, dan vind ik het weer een prachtig avontuur. Iets dat ik voor geen prijs zou willen missen. Het is een groot geluk te kunnen zingen.


V: Bent u veranderd?
A: In wezen, denk ik niet. Feitelijk wel. Zong je vroeger over later, zing je nu vaker over vroeger. Waarmee ik niet de oude liedjes bedoel. Zing en vertel over wat er nu speelt, eigenlijk als een dagboek. Minder dan vroeger over wat er zou moeten spelen. Je was toen natuurlijk overmoediger. Ga economischer met mijn krachten om. Dat is overigens geen vrije keuze. De jaren tellen. Spring niet meer in een karperduik van het toneel. Ga ook niet meer zo vaak door de klok van twaalf met de toegiften.         

 

"Herman,

in jou herken ik
de wijsheid van de hofnar
de brutaliteit van de moralist
wanneer jij net doet
of je slechts één doel hebt:
ons vermaken."


Georges Moustaki